Geen uniforme woningmarkt

Wie naar de Europese woningmarkt kijkt, ziet meteen waarom. De verschillen tussen lidstaten zijn fundamenteel. Vlaanderen kent een eigen traditie van eigenaarschap en ruimtelijke ordening, met dus een andere rol van de overheid dan in bijvoorbeeld Spanje, Duitsland of Nederland. Zo verschilt de huurmarkt sterk tussen lidstaten. In Duitsland huurt een meerderheid van de bevolking en speelt huurregulering een centrale rol, terwijl Vlaanderen traditioneel inzet op eigenaarschap. Beleidskeuzes die in het ene systeem werken, kunnen in het andere net averechts uitpakken.

Beleidskeuzes die in het ene systeem werken, kunnen in het andere net averechts uitpakken.

Het subsidiariteitsprincipe stelt dat een hogere overheid alleen verantwoordelijkheden opneemt als een lagere overheid dat niet kan. Dat principe moet altijd het uitgangspunt zijn. Woonbeleid hoort thuis bij lidstaten en deelstaten zoals Vlaanderen, niet bij Europa.

Meer aanbod

De kern van het probleem is helder: er worden simpelweg te weinig woningen gebouwd. Ook in Vlaanderen blijft het aanbod achter. Vergunningsprocedures duren lang en bouwen wordt bemoeilijkt door hoge kosten en schaarse ruimte.

Positief is dat het Europese plan aandacht heeft voor het vergroten van het woningaanbod. Innovatie in de bouwsector en het wegwerken van administratieve knelpunten kunnen helpen om sneller te bouwen. Maar tegelijk is het duidelijk dat de oplossing niet in Europese plannen ligt, wel in structureel meer woningen. Zolang het aanbod achterblijft, blijft de druk op prijzen en huren bestaan.

Europese financiering

Het Europese plan zet sterk in op bijkomende investeringen via instrumenten zoals de Europese Investeringsbank en fondsen zoals InvestEU, waarvan het budget oploopt van ongeveer 43 miljard naar 375 miljard euro. Zulke middelen kunnen nuttig zijn wanneer ze concrete projecten mogelijk maken en lokaal impact hebben.

Meer geld is geen oplossing als het systeem zelf niet werkt.

Maar daar schuilt net het risico. Europese middelen werken alleen met duidelijke doelstellingen en voldoende uitvoeringscapaciteit. Zonder die voorwaarden blijft impact uit. Dat hebben eerdere Europese programma’s al meermaals aangetoond. De Europese Rekenkamer wijst er expliciet op dat Europese financiering te vaak wordt opgevolgd via procedurele indicatoren, zonder dat duidelijk wordt of ze effectief leiden tot betere resultaten op het terrein. Met andere woorden: meer geld is geen oplossing als het systeem zelf niet werkt.

Ondersteunen zonder sturen

Daarbovenop groeit de druk vanuit Europa om lidstaten in een uniform kader te duwen. De Europese Commissie stuurt steeds nadrukkelijker richting harmonisering, met de impliciete boodschap dat niet deelnemen politieke gevolgen kan hebben.

Dat is problematisch. Samenwerking en het delen van goede praktijken zijn nuttig. Maar zodra Europa evolueert richting marktinterventies of uniforme regels, gaat het voorbij aan de realiteit van sterk verschillende woningmarkten.

De woonuitdaging is groot. Maar de oplossing is evident. Niet meer Europese sturing, maar een beleid dat zorgt voor meer woningen en bouwen opnieuw mogelijk maakt. Europa kan ondersteunen waar nodig. Maar het mag niet sturen waar het geen bevoegdheid heeft. De keuze is dus eenvoudig: wie betaalbaar wonen ernstig neemt, kiest voor maatwerk in Vlaanderen en niet voor een dwingende eenheidsaanpak vanuit het Berlaymontgebouw.

Onderwerpen