Vlaams Parlementslid
Brood, rozen en wortels
Tinneke Beeckman legt in haar stuk in De Standaard over het Vlaamse cultuurbeleid de vinger op de wonde. Ze pleit voor een cultuur die op zichzelf staat, los van politieke of ideologische instrumentalisering. Terecht beschouwt ze cultuur als meer dan beleid of budget, maar als spiegel van onze maatschappij, waar verleden, heden en toekomst elkaar ontmoeten.
De progressieve visie die Beeckman fileert, maakt van cultuur vaak een middel tot maatschappelijke heropvoeding. Ze moet armoede bestrijden, integratie bevorderen en de wereld verbeteren. Waardevolle doelen op zich, maar het functionaliseert cultuur. Ze mag pas bestaan als ze iets ‘doet’.
Dat zien we vandaag bij minister Gennez (Vooruit), die van bovenaf maatschappelijke doelstellingen oplegt. De sector ervaart dat als visieloos beleid, een disproportionele besparing op erfgoed, socio-cultureel werk, amateurkunsten en bovenlokale initiatieven, terwijl de kunstensector wordt ontzien. Solidariteit mag geen holle term zijn. De cultuursector verdient een coherent verhaal dat perspectief biedt in plaats van frustratie.
Ook rechts krijgt kritiek. Volgens Beeckman bekijkt N-VA cultuur te economisch. Wat niet rendeert, telt niet mee. Dat is te kort door de bocht en staat haaks op haar verwijzing naar Jan Jambon die fors in cultuur investeerde vanuit de overtuiging dat cultuur rendeert. N-VA wil de welvaartstaart vergroten, en cultuur hoort daar onmiskenbaar bij. Dat dit soms niet gezien wordt, zegt veel over de hardnekkigheid van bepaalde vooroordelen. Voor sommigen past het niet in het gangbare frame wanneer ‘rechts’ liefde voor cultuur toont.
Het parlement en de regering maken beleid, geen kunst. Daarbij lijkt men te vergeten dat beleid doelen stelt voor publieke middelen. Stemmen in de sector vragen ‘de artistieke autonomie’ te respecteren, maar bedoelen dat de overheid geld mag geven en voorts best zwijgt. Graag wordt Thorbecke dan uit zijn graf gelicht en zonder veel kennis van zaken rond geparadeerd.
Tegelijk kampt de sector met onderbetaling, versnippering en gebrek aan continuïteit. Dat toont dat volledige autonomie evenmin volstaat. We hebben beleid nodig dat duurzaamheid koppelt aan vertrouwen. Een volwassen cultuurbeleid móet vragen stellen over de organisatie en de maatschappelijke rol van de sector.
Het M HKA-protest of de discussies over sociaal-cultureel werk illustreren dat spanningsveld. Mag de overheid voorwaarden opleggen aan het aanwenden van publieke middelen of niet? Voor N-VA is het antwoord duidelijk: de overheid moet een cultureel ecosysteem ondersteunen dat duurzaam, professioneel en sociaal rechtvaardig is. Vlaanderen mag daarvoor in ruil een verantwoorde inzet van middelen verwachten.
Voor N-VA draait cultuurbeleid niet om de keuze tussen brood of rozen, maar om het rozenbed voor morgen. Besparingen horen daarbij, maar die vragen duiding en visie. Net daar wringt de schoen: beslissingen vallen uit de lucht of zijn onvoldoende gekaderd. Men lijkt de botte bijl te hanteren, niet het snoeimes. Dat voedt het gevoel dat cultuur is gereduceerd tot boekhouding. Iets wat mevrouw Beeckman scherp aanvoelt en terecht bekritiseert.
Cultuur is geen decorstuk maar een fundament. Ze geeft betekenis aan wie we zijn en richting aan wie we worden. Daarom moeten we omzichtig te werk gaan, zodat de rozen blijven bloeien, stevig geworteld in onze gemeenschap en geschiedenis.